HOOFDSTUK 27 @BRK#Het gezelschap voor de jacht kwam de volgende ochtend, toen de zon nog maar net boven de bomen langs het park uitkwam, op de binnenplaats van kasteel Araluen bijeen. De drie Skandiërs stonden al klaar toen Maddie en Cassandra uit de deur van de donjon tevoorschijn kwamen. Maddie en Cassandra werden vergezeld door Dimon. Hij had een jachtboog bij zich – een degelijk wapen, maar niet zo lang en krachtig als de krijgsbogen waarmee de schutters van het kasteel en de Grijze Jagers waren uitgerust. De beide prinsessen hadden hun slinger bij zich, en aan hun riem hingen uitpuilende buideltjes met loden kogels. Voor noodgevallen had Maddie ook nog een boog om haar schouder geslagen. Ook deze was een stuk lichter dan het wapen dat ze als Jager gebruikte, dus haar bereik was niet zo heel groot. Om mee te jagen voldeed hij echter prima. De slinger was niet voor elk dier het geschiktste wapen, wist ze. Dimon glimlachte bij het zien van de boog. ‘Wat dacht je daarmee te raken?’ vroeg hij. Hij had gezien hoe goed Maddie met pijl-en-boog was. Althans, dat dacht hij. Ze haalde haar schouders op. ‘Je weet het niet. Misschien heb ik er wel weer geluk mee.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Volgens mij heb je je geluk laatst wel opgebruikt.’ Stig en Thorn hadden allebei een stevige speer bij zich en Hal had zijn kruisboog aan zijn schouder hangen. Cassandra had de bedienden die gisteren eten aan de rest van de bemanning brachten gevraagd Hals wapen mee terug naar het kasteel te nemen. ‘Goedemorgen, heren,’ zei Cassandra opgewekt, en de anderen begroetten haar terug. ‘Allemaal goed geslapen, mag ik hopen?’ Stig had daar wel iets over te zeggen. ‘Als ik na een lange reis aan land ga, kan ik er maar niet aan wennen dat mijn bed stilstaat,’ zei hij. ‘Het is net alsof het dan nog beweegt.’ Hal was het met Stig eens. ‘Ja, het duurt altijd wel even voordat je je landbenen terug hebt. Maar zodra we aan boord van een schip gaan, voelt het alsof we helemaal niet bewegen,’ legde hij uit. ‘Net aan de wal waggelen we altijd even rond alsof we dronken zijn.’ ‘Hoe komt dat?’ vroeg Maddie. Ze had geen enkele ervaring met schepen en vond al deze details machtig interessant. De twee Skandiërs haalden tegelijk hun schouders op. ‘Dat weet niemand,’ antwoordde Stig. ‘Zo gaat dat gewoon. Ik denk dat we dan zo aan de deining van het schip gewend zijn geraakt dat het lijkt alsof dat nog doorgaat terwijl het eigenlijk al voorbij is.’ De zevende die meeging was Ulwyn, een grijze boswachter die al meer dan dertig jaar in de bossen rond kasteel Araluen joeg. Hij zou hun gids zijn, sporen van dieren zoeken en aangeven waar ze moesten zijn voor herten, konijnen, hazen en gevogelte. Hij had ook een boog, en aan zijn riem hing een lang jachtmes in een schede. Hij werd vergezeld door een jachthond, Dogger, een nogal smoezelig beest van onduidelijke herkomst dat vrolijk zijn tong naar het jachtgezelschap uitstak. Dogger was de jongste niet meer en had een stijve achterpoot, maar zijn enthousiasme voor de jacht, het ophalen van het geschoten wild en het spoorzoeken was nog volop aanwezig. Ulwyn kende Cassandra al sinds ze een klein meisje was en hij was gek op haar. Bij wijze van begroeting knikte hij even. ‘Môge, hoogheid,’ zei hij. Cassandra glimlachte en bukte zich even om Dogger achter zijn oren te krabben. ‘Goedemorgen Ulwyn. Jij weet voor ons vandaag vast wel wat wild te vinden, hè?’ Hij knikte opnieuw. ‘Dat moet wel lukken, vrouwe. We gaan om te beginnen naar het meer, voor wat ganzen en eenden.’ Hij knikte naar de om haar riem gewikkelde slinger. ‘Daarmee krijgt u er vast wel een paar te pakken. Daarna wilde ik in de richting van de Wachtheuvel. Daar is de afgelopen dagen een hert gesignaleerd.’ ‘Gesignaleerd? Door wie?’ vroeg Maddie. Hij grijnsde. ‘Tja, door mij natuurlijk, jongedame,’ zei hij. Ze knikte. Ze had niet anders verwacht dan dat hij gisteren even was gaan kijken waar ze het beste konden jagen. Ulwyn keek om zich heen om te zien of iedereen er klaar voor was. ‘Zullen we gaan?’ Om de Skandiërs een beetje tegemoet te komen zouden ze lopen in plaats van paardrijden. Ze gingen de ophaalbrug over en de heuvel af, in de richting van het bos. Ulwyn liep voorop. Het gras was nog nat van de dauw en achteromkijkend zag Maddie het donkere spoor dat ze achterlieten doordat ze het vocht van het gras liepen. Ze kwamen vlak langs het bosje waarin de uitgang van de tunnel onder de slotgracht verborgen lag, en ze keek even om zich heen om te zien of iemand iets in de gaten had. Dat was natuurlijk niet het geval. Mensen waren tientallen jaren langs de uitgang van die tunnel gelopen zonder dat iemand iets ongewoons was opgevallen. Ulwyn leidde de groep iets naar rechts en ze was blij dat ze niet te dicht langs de open plek kwamen waar Bumper stond. Ze dacht niet dat iemand hem snel zou zien, maar Ulwyn had een scherp oog en Dogger natuurlijk een scherpe neus. Ze schrok van het plotselinge suizen van haar moeders slinger en het zoemen van het loden balletje toen ze afvuurde. Tien meter voor hen uit schoot er een haas door het hoge gras. Het dier lag nog niet eens op volle snelheid toen het door het balletje werd geraakt, een buiteling maakte en dood bleef liggen. ‘Altijd blijven opletten,’ zei haar moeder. Maddie stak haar duim naar haar moeder op. ‘Mooi schot,’ zei ze, en ook de Skandiërs uitten hun bewondering. Cassandra glimlachte – en een beetje zelfingenomen zag dat er wel uit. ‘Ondanks mijn slechte techniek?’ Maddie schudde een beetje vermoeid lachend haar hoofd. Cassandra en zij hadden met hun slingers allebei een totaal verschillende techniek en Maddie had haar moeder er al duizend keer op gewezen dat haar manier langzamer en minder efficiënt was. En nu vond haar moeder het dus geweldig dat ze al een haas had gevangen voordat haar dochter zelfs maar serieus aan de jacht was begonnen. Ulwyn stopte de haas in zijn tas en ze gingen verder, het bos in. ‘Wat is er mis met Cassandra’s techniek?’ wilde Hal weten. Maddie haalde haar neus op. ‘Zo ongeveer alles. Ze compenseert haar gebrek aan techniek met een overdosis geluk.’ ‘Ja hoor!’ Haar moeder keek haar met een superieur glimlachje aan. Maddie besloot haar mond verder maar te houden. We zullen zien wie er het beste is als we bij het meer zijn, dacht ze. Maar dat viel tegen. Cassandra en zij schoten even later allebei op twee opvliegende eenden, en waar haar loden balletje de ene eend slechts in de staart raakte en alleen een veertje losschoot, trof haar moeder de andere eend precies tegen het hoofd, waarna het dier als een steen in het water plonsde. Ondanks zijn stijve achterpoot sprong Dogger enthousiast in het water om de dode vogel eruit te halen. ‘Ja hoor!’ wreef Cassandra het er nog wat verder in toen Dogger de dode eend voor haar voeten deponeerde. Maddie liep rood aan, maar ze zei niks. Opnieuw stopte Ulwyn de vangst in zijn tas. Thorn vermaakte zich kostelijk met de manier waarop die twee vrouwen met elkaar omgingen. ‘Je moeder zwaait haar slinger een paar keer horizontaal boven haar hoofd en schiet dan,’ zei hij tegen Maddie. ‘Dat doe jij niet. Jij laat de slinger achter je schouder zakken, doet een stap naar voren en zwiept hem over je hoofd.’ Hij keek naar Hal, die altijd veel belangstelling voor de technische kant van de dingen had. ‘Een beetje zoals Lydia haar atlatl gebruikt, vind je niet?’ Hal was het met hem eens. ‘Geen gedraai,’ zei hij. Maddie keek een paar keer van de een naar de ander. Namen ze haar nu in de maling of niet? Ze voelde haar wangen warm worden. ‘Zoals ik het doe is veel efficiënter,’ zei ze, en ze probeerde zo objectief mogelijk te klinken. ‘Al dat zwaaien en het geluid dat dat maakt biedt de prooi alleen maar kans om te ontsnappen – of als eerste te schieten, als je tegenover een vijand staat.’ ‘Daar zit wat in,’ antwoordde Hal. ‘Inderdaad,’ zei Cassandra. ‘Ik heb inmiddels een haas en een eend in de tas, en hoeveel heb jij er met je superieure techniek ook alweer gevangen? O ja, dat is waar ook: nul.’ ‘Pas maar op mama, de dag duurt nog lang,’ antwoordde Maddie. Ze gingen weg bij het meer, want de overige eenden en ganzen waren op de vlucht geslagen en het zou nog wel even duren voordat ze naar het water terugkeerden. Het gezelschap begaf zich in de richting van de Wachtheuvel en Maddie zag allerlei sporen van herten die hier kortgeleden langs waren gekomen. Ze liet niet merken dat ze de sporen had gezien, want dat zou voor een prinses een beetje merkwaardig worden gevonden. Ulwyn had de sporen duidelijk ook gezien en hij knikte tevreden. Maar Maddie zag nog iets anders, iets dat Ulwyn over het hoofd leek te zien maar dat wel belangrijk kon zijn. Ze wees naar een paar lange, parallelle krassen in de schors van een boom, vlak boven de grond. ‘Wat is dit, Ulwyn?’ informeerde ze onschuldig. ‘O, dat hebt u heel scherp gezien, jongedame!’ zei Ulwyn. Hij liet zich op een knie zakken en raakte de krassen even aan. Maddie kon vanaf waar ze stond al zien dat het sap dat uit de schors was gesijpeld al was opgedroogd. De sporen waren al oud. Ulwyn keek haar van beneden aan. ‘Ik heb deze krassen hier gisteren ook al gezien,’ zei hij. ‘Die zijn van een zwijn.’ Maddie zette grote ogen op. ‘Een zwijn? Een wíld zwijn?’ vroeg ze quasi-geschrokken. De oude jager lachte. ‘Tja, ze hebben in deze streek maar weinig tamme zwijnen, dus ja, deze moet wild zijn geweest, vrouwe Madelyn. Maar hij is inmiddels al een heel eind weg, hoor,’ stelde hij haar gerust. Maar Maddie had nog iets gezien dat de oude jager leek te hebben gemist. In een volgende boom zaten nog meer van dergelijke krassen, en het sap dat daaruit kwam was nog niet opgedroogd. ‘En die dan?’ vroeg ze, wijzend. Ulwyn keek ernaar en keek wat zorgelijker. ‘Hmm,’ zei hij. ‘Die zijn van vandaag, en van niet erg lang geleden.’ Hij verhief zijn stem een beetje en richtte zich tot de rest van het gezelschap. ‘Geef je ogen goed de kost, allemaal. We moeten zorgen dat wij hem zien voordat hij ons ziet.’ Thorn had het contact tussen Ulwyn en de jonge prinses nauwkeurig gadegeslagen. Ze deed alsof ze niet zo goed wist waar ze het over had, maar daar trapte hij niet in. Jij wist heel goed dat die krassen daar zaten, dacht hij, en je wilde gewoon dat wij allemaal een beetje voorzichtig waren, omdat er een wild zwijn in de buurt is. Maddie draaide zich plotseling om en zag hoe hij naar haar zat te staren. Hij grijnsde en tikte met een vinger tegen de zijkant van zijn neus. Ze keek hem met gefronst voorhoofd aan. Had hij nou echt in de gaten dat ze maar deed alsof? Ze schudde de gedachte af en draaide zich weer om. Ze gingen verder het bos in. Maddie was zich zeer van de nabijheid van het zwijn bewust en ze wist dat ze met haar slinger weinig tegen het dier kon uitrichten, dus had ze het wapen om haar riem gewikkeld. Ervoor in de plaats had ze haar boog gepakt en er een pijl op gelegd. Ze hield de twee losjes vast, zodat ze kon schieten zodra ze iets zag. Dimon zag wat ze deed, glimlachte in zichzelf en schudde zijn hoofd. Ze trokken in een grote halve cirkel rond, met de bedoeling naar het meer terug te keren als de eenden en ganzen weer tot rust waren gekomen. Hal zag een hertje en vuurde er met zijn kruisboog een pijl op af. Het was een mooi schot. Het dier sprong in de lucht, zette nog een paar verdwaasde passen en viel dood neer. Ulwyn maakte het klaar voor vervoer en Thorn en Stig bonden de vier poten ervan om een stevige tak, die ze vervolgens tussen zich in meedroegen. Maddie gokte dat ze alweer halverwege de weg terug naar het meer waren toen Dogger ineens heel fel begon te blaffen en naar een dichte haag van struiken rende aan de andere kant van de open plek die ze overstaken. De jagers hielden onmiddellijk halt, want ze schrokken nogal van de uitbarsting van de hond. In de struiken hoorden ze een groot, zwaar lijf dat zich onder het uitstoten van een woedend, dreigend gekrijs wild tegen de takken en bomen aan smeet. ‘Dat is het zwijn!’ riep Ulwyn en hij riep geschrokken zijn wild blaffende, bijna hysterische hond bij zich. Maar Dogger trok zich niets van hem aan. De oude hond duwde, onafgebroken blaffend, zijn kop tussen het dichte struikgewas. Het geluid vanuit de struiken werd luider en Dogger draaide zich geschrokken om en trok zich terug. Uit de struiken schoot plotseling een harig donker dier tevoorschijn, dat verrassend snel achter hem aan kwam. De hond probeerde wel weg te duiken, maar de stijve achterpoot liet hem in de steek waardoor hij struikelde. Het zwijn liet zich die kans niet ontnemen. Hij duwde zijn kop in de ribben van de hond, die meters weg werd geslingerd en doodsbang begon te janken. De jagers kwamen voorzichtig op het zwijn af. Stig en Thorn legden het karkas van het hert neer en kwamen met geheven speren naar voren. Hal richtte zijn kruisboog en Dimon legde een pijl op zijn boog. Ulwyn vroeg zich in paniek af hoe hij kon voorkomen dat zijn hond gewond zou raken. Het zwijn had zijn slagtanden gelukkig nog niet gebruikt. De aanvaller kwam weer naar voren gestormd, maar Dogger slaagde er nog net in opzij te springen en zo de ontblote slagtanden te omzeilen. De twee dieren draaiden dreigend om elkaar heen, de een uithalend en krijsend, terwijl de ander wanhopig probeerde aan de aanvallen te ontkomen. Door al die beweging kregen de jagers geen gelegenheid het zwijn neer te halen. Behalve Maddie. Ze had nu al drie jaar lang geleerd om de kleinste mogelijkheid te herkennen en te benutten. Zodra Dogger een stukje verder achteruit bewoog en het zwijn even aarzelde, zich op zijn achterpoten liet zakken om zich met alle kracht op zijn vijand te storten, tilde Maddie haar boog op, richtte en schoot ze. De pijl suisde over de open plek en boorde zich achter de linkerschouder van het zwijn diep naar binnen, dwars door zijn hart. Het wilde beest gilde nog één keer, zakte door zijn poten en stortte dood ter aarde. Maddie begon onmiddellijk paniekerig te gillen en liet de boog op de grond vallen. Toen de anderen begrepen waar de pijl vandaan was gekomen, draaiden ze zich naar haar toe. Maar ze stond op haar benen te trillen, had haar handen voor haar ogen geslagen en schreeuwde het uit. ‘Wat is er gebeurd? Wat gebeurde er? Heb ik hem geraakt?’ Haar gezelschap slaakte een zucht van verlichting. Doordat het dode zwijn daar zo lag, midden op de open plek, verdween de spanning even snel als hij was gekomen. ‘Nou en of je hem geraakt hebt!’ antwoordde Ulwyn. ‘Hij is morsdood!’ Stig en Hal complimenteerden haar met haar schot. Dimon keek ongelovig toe. Maddie haalde haar handen voor haar ogen weg en keek naar Ulwyn. ‘Echt waar?’ vroeg ze, met geveinsde verbazing. ‘Maar ik had mijn ogen dicht.’ ‘Ja, dat had ze zeker,’ klonk een stem achter haar. ‘Ze hield ze de hele tijd stijf dichtgeknepen.’ Het was Thorn. Ze begreep dat de oude Skandiër de hele tijd achter haar had gestaan en alles heel goed had kunnen zien. Hij moest gezien hebben hoe koel en beheerst ze met de pijl-en-boog was omgegaan, en hoe ze daarna had gedaan alsof ze in paniek was geraakt door het wapen op de grond te gooien. Ze keek hem even aan terwijl Dimon naast het dode zwijn hurkte. ‘Als dat zo is hebben we net het gelukkigste schot aller tijden gezien,’ zei hij langzaam. Maddie bleef nog even naar de oude zeewolf kijken en zag een van zijn ogen heel even dicht en weer opengaan. Als jij niet wilt dat ze het weten, zal ik het ze niet vertellen, leek hij met die knipoog tegen haar te zeggen. @BRK#Via een omtrekkende beweging keerden ze terug naar het meer. Dimon en Hal droegen het zwijn, Stig en Thorn het hert. Nog meer grote dieren zouden ze niet meer mee kunnen nemen en Hal keek dan ook tevreden naar de vangst tot nu toe. ‘Edvin zal blij zijn,’ zei hij. ‘Dat is meer dan genoeg vlees voor de terugreis.’ De inhoud van Ulwyns tas werd bij het meer nog wel wat verder aangevuld. Cassandra haalde nog drie eenden naar beneden, Maddie plukte twee ganzen uit de lucht. Dogger, die na zijn botsing met het zwijn een stuk rustiger was, haalde de vangst uit het water. ‘En daar hebben we het avondeten,’ zei Cassandra met een voldane glimlach. Ze aten die avond gebraden gans, in de refter naast de keuken. De rest van de bemanning van de Reiger werd opgetrommeld om aan te schuiven en de stemming was feestelijk. Alleen Dimon stapte al bijtijds weer op, hij zei omdat de plicht riep. Maddie stelde nog maar eens vast dat hij zich in de nabijheid van de Skandiërs niet erg op zijn gemak leek te voelen. Ze dacht er een tijdje over na, maar liet het er toen maar bij. Hal en zijn broederband vormden uitstekend gezelschap. Ze waren vrolijk en uitgelaten, en ze hadden een eindeloze hoeveelheid mooie verhalen te vertellen. Als Dimon in hun nabijheid chagrijnig wilde zijn, dan was dat zijn probleem. Ze waren net bezig na het hoofdgerecht nog een vijgenpudding soldaat te maken toen een bediende binnenkwam en op gedempte toon wat tegen Cassandra zei. Ze luisterde even en wees toen op Hal. De bediende liep achter de tafel langs naar de nieuwsgierig afwachtende skirl. ‘Kapitein Hal, er is een boodschapper voor u. Het is een Skandiër en hij zegt dat het dringend is.’ Hij knikte in de richting van de deur bij de trap, waar inderdaad iemand stond te wachten. Hal wierp een vragende blik op Cassandra, die knikte. Daarop gebaarde hij de wachtende man verder naar binnen. ‘Kom erbij,’ zei hij. De boodschapper kwam uit het donker naar voren, en Hal herkende hem vrijwel meteen. ‘Nee maar, jij bent toch Sten Engelson?’ ‘Jazeker Hal, ik ben het.’ Hal wendde zich naar Cassandra en legde het uit. ‘Sten is stuurman op de Wolvenbijter.’ ‘Wolvenbijter?’ reageerde Cassandra. ‘Dat is toch…’ ‘Inderdaad, het huidige dienstschip,’ vulde Hal aan. ‘Jern IJsganger is daar de skirl. We hebben Jern eergisteren nog gesproken toen we in de monding van de Semath lagen. Hij was daar toen op patrouille.’ Hij richtte zich weer tot Sten. ‘Is er iets mis?’ vroeg hij, hoewel hij vermoedde dat Sten hier niet zou zijn geweest als alles in orde was. ‘De Wolvenbijter heeft schade opgelopen, Hal,’ antwoordde Sten. ‘Hij is naar de Barrière gevaren, ten zuiden van de Semath, en daar door een hoge golf opgepakt en op de rotsen gesmeten. Het is Jern nog wel gelukt om het strand te bereiken, maar hij denkt dat de kiel kapot is. Hij hoopt dat jij ernaar kunt kijken voordat hij besluit om het schip op te geven en achter te laten.’ Stig boog zich even naar Maddie en legde het uit. ‘Hal is niet alleen een goede skirl, maar ook een heel goede scheepsbouwer. Als er iemand is die de Wolvenbijter kan repareren, is hij het.’ Hal dacht even na. ‘Daar moet ik dan wel even naartoe,’ besloot hij. Hij richtte zich tot Cassandra. ‘We moeten weg, ben ik bang. Als we nu meteen gaan kunnen we nog op het afgaande water uitvaren. Ik vind het geen prettig idee dat er helemaal geen dienstschip in de buurt actief is.’ Cassandra was het met hem eens. ‘Inderdaad, zeker met die Clan van de Rode Vos die de boel zo aan het ontregelen is. Hoelang denken jullie weg te zijn?’ Hal nam even de tijd om dat uit te rekenen. ‘Een week, hooguit tien dagen. Als het schip onherstelbaar beschadigd is, neem ik de bemanning mee terug hierheen. En dan moeten we extra rantsoen inslaan voor de terugreis. Terwijl we daarmee bezig zijn kunnen wij dan afspraken over de extra boogschutters maken.’ Dat laatste was hij bijna vergeten en voegde hij er een beetje verontschuldigend aan toe. ‘Ik zal intussen alle papieren laten opstellen, Hal. En het zwijn en het hert zullen we voor jullie pekelen, zodat ze klaar zijn om mee te nemen,’ zei Cassandra. Hal knikte haar dankbaar toe en richtte zich toen tot zijn bemanning. ‘Jongens, we moeten weg. Er is een probleem en het tij wacht niet. Ik heb weinig zin om tegen de stroom in te moeten roeien.’ Er werd luidruchtig met bankjes geschoven en de bemanningsleden van de Reiger verzamelden zich bij de uitgang. Halverwege draaide Stig zich om, liep terug naar de tafel en trok een poot van het karkas van de gans. Hij zette er grijnzend zijn tanden in en lachte naar Maddie. ‘Zonde om lekker eten te laten liggen,’ grijnsde hij. ‘Jij vindt het zonde om wat voor eten dan ook te laten liggen,’ zei Hal smalend. ‘Kom op, we moeten gaan.’